Submitted by Peter on Sat, 06/05/2021 - 13:53

Met je lichaam zo broos en gebogen, keek je naar me op, en het leek wel of het kind in je was teruggekeerd, zo vragend, enigszins verontrust was je blik. En ik zag in je ogen dat je wist dat je dit leven van je af moest laten glijden, en dat er alleen nog die warme band was met ons, je vrouw en je kinderen, en iets meer nog, iets heel intiems, diep van binnen, waar we ons afvragen wat er zal resten en wat er zal volgen.

Die blik in je ogen zal mij vergezellen op mijn reis, en ik zal hem koesteren en meedragen, zoals ik een moment meedraag van lang geleden, toen haar ogen schitterden en we praatten over hoe we samen verder zouden gaan, in welke stad we zouden gaan wonen en wat voor huisje we zouden zoeken voor ons beiden. Kon het leven nog mooier worden? Kon het nog droeviger worden, toen ik mijn beste vriend ‘s nachts in de donkere straten van de stad alleen moest laten omdat zijn weg, steeds dieper weg in verslavingen en schulden, niet langer te volgen was. Hij wist het. Hij begreep het. Maar hij zou die weg moeten gaan, zeiden zijn ogen me. De wanhoop, de onmacht in dat laatste moment dat we nog echt samen waren, zal ik me blijven herinneren, als getuigenis dat hij van binnen nog ongebroken en puur was.

Die momenten wachten mijn kind nog, maar als hij naar me kijkt, zie ik toch diezelfde vraag, diezelfde verontrusting die ik ook bij jou zag, alsof begin en einde gelijk zijn, als de tijd alles nog kan brengen, en als de tijd zelf ons ontglipt.

Een tijd waarin mijn geliefde, de moeder van mijn kind, zo dapper is. Want waar haar ogen vroeger licht gaven, ligt er nu soms een schaduw overheen. Van het onbehagen natuurlijk. En de boosheid, dat die ziekte in ons leven is gekomen. En ik kan er alleen maar bij zijn, voor haar zijn, meebeleven wat ons te wachten staat. En de tranen zien vallen. Als ik in mijn eigen ogen kijk.

En zie, al die momenten die we doorleven, de liefde die ons vervult, de dromen die ons de wereld doen verkennen, de zorgen die ons bedrukken, de angsten die verlammen, ze spiegelen de schoonheid die we van binnen kennen. Daar verglijden ze in die ene kern, diep in ons, ongebroken en puur. Daar spiegelen we ons aan onszelf en zien we elkaar, voor het eerst, of voor het laatst, maar zo intiem, en elk moment van leven waard.

Dorus